Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

BB8985

Datum uitspraak2007-12-18
Datum gepubliceerd2007-12-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers03169/06
Statusgepubliceerd


Indicatie

Belediging. ’s Hofs oordeel dat het uitspreken van de woorden “fuck you” en het opsteken van de middelvinger de strekking hebben de politieman tot wie de uitlating en dat gebaar waren gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.


Conclusie anoniem

Griffienr. 03169/06 Mr Wortel Zitting:30 oktober 2007 Conclusie inzake: [verdachte] 1. Dit cassatieberoep betreft een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, waarbij verzoeker wegens "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot een geldboete van € 180, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door drie dagen hechtenis. 2. Namens verzoeker heeft mr P. Bouman, advocaat te Helmond, een schriftuur houdende één cassatiemiddel ingediend. 3. Dit middel behelst de klacht dat ten onrechte het verweer is verworpen dat verzoeker het "fuck you" gebaar helemaal niet heeft kunnen maken (in verband met eerder medisch ingrijpen); ten onrechte is voorbij gegaan aan verzoekers stelling dat de verbalisant onmogelijk door een dichte deur heeft kunnen horen dat verzoeker hem verbaal hetzelfde toewenste, en bovendien ten onrechte bewezen is verklaard dat verzoeker met dit gebaar en/of deze woordkeus heeft beledigd aangezien deze toevoeging naar hedendaagse opvattingen niet langer als beledigend is aan te merken. 4. Het is frappant. Ter zitting van 26 juni jongstleden concludeerde ik in een zaak tegen [betrokkene 1] (ruim twintig jaar jonger, doch dezelfde geboorte- en woonplaats), die twee en een halve maand eerder door hetzelfde Hof tot straf is veroordeeld omdat dit lid van de familie [verdachte] een opsporingsambtenaar beledigend "klootzakken" had toegevoegd, en waarin als cassatiemiddel aanvankelijk werd aangevoerd dat deze [betrokkene 1] had aangetoond fysiek niet in staat te zijn de middelvinger in het bekende gebaar ten hemel te heffen, welke klacht vervolgens werd gewijzigd (in die zaak was dit gebaar helemaal niet bewezenverklaard) in de stelling dat "klootzakken" naar hedendaagse maatstaven niet beledigend is. Dit (bij aanvullende schriftuur gewijzigde) middel was ingediend door een advocaat die als kantoorgenoot is vermeld op het briefpapier van degene die nu het middel voorstelt. 5. Het is een kleine wereld, maar ik kan het kort houden. In de zojuist bedoelde zaak tegen [betrokkene 1] is het cassatieberoep - op de voet van art. 81 RO - verworpen bij arrest van 2 oktober jongstleden, en dit beroep stevent op dezelfde uitkomst af. 6. Het Hof heeft niet aannemelijk bevonden dat verzoeker fysiek niet in staat was het gebaar met de opgeheven middelvinger te maken. Dat is een geheel feitelijk oordeel, zodat geen verdere toelichting behoeft waarom dit punt in cassatie niet meer aan de orde is. Hetzelfde geldt voor 's Hofs oordeel dat de verbalisant (die ter zitting nog een verklaring als getuige heeft afgelegd) uitstekend kon horen wat verzoeker hem verbaal toevoegde. 7. In HR NJ 2002, 129 is nog weer eens herhaald dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem in zijn eer en goede naam aan te randen. Onderzocht dient derhalve te worden welke lading de verdachte in het bijzondere geval aan zijn woorden en/of gebaren kennelijk heeft willen geven, en hoe zij door de geadresseerde in redelijkheid kunnen zijn opgevat. Zelfs woorden die, op zichzelf beschouwd, geen negatieve betekenis hebben, kunnen strafbare belediging opleveren indien de omstandigheden van het geval erop wijzen dat zij werden gesproken met het oogmerk te kwetsen, en redelijkerwijs ook zo kunnen zijn overgekomen, vgl HR NJ 2001, 101. 8. De afgelopen maanden berichtten de media dat sommige strafrechters "fuck you" als strafbare belediging van politiefunctionarissen hebben aangemerkt, doch andere weer niet met een beroep op gewijzigde maatschappelijke opvattingen. Dat laatste acht ik (aannemende dat de berichtgeving in essentie juist was) een onverdedigbare en gevaarlijke opvatting. 9. De aankondiging dat de ander seks zal/zou moeten ondergaan heeft onmiskenbaar een vernederende lading; de boodschap kan geen andere zijn dan uiterste minachting. Wie wil betogen dat naar hedendaagse opvattingen de aldus aangesprokene geen krenkende aantasting van de persoonlijke waardigheid kan ervaren (en de toevoeging naar idem maatstaven ook niet als krenkend bedoeld hoeft te zijn), maakt vermoedelijk een denkfout. Men kan niet in ernst menen dat - afgedwongen - seks met een wildvreemde in de hedendaagse samenlevig een geaccepteerd verschijnsel is. Degene die "fuck you" buiten de strafbare belediging wil plaatsen zal in wezen bedoelen dat men zulke toevoegingen maar over zijn kant moet laten gaan. Ruw taalgebruik als zó veel voorkomend verschijnsel dat we er, wat de strafrechtelijke handhaving betreft, niet meer aan beginnen. Dit lijkt mij een buitengewoon zorgelijke ontwikkeling, ook in de context van wat politiemensen zoal moeten accepteren. Het buitensporige, ongeremd agressieve, egoïsme van de clipcultuur kan geen oriëntatiepunt zijn voor de ontwikkeling van essentiële gedragsnormen. 10. Zero tolerance volgens maatstaven die de politie eigenmachtig zou kunnen bepalen is geen optie. Iedereen heeft het volste recht om van het openbaar gezag (of wat zich als zodanig presenteert) uitleg of verantwoording te vergen, en niemand is gehouden klakkeloos af te gaan op de autoriteit van een uniform. Politiemensen zullen moeten accepteren dat hun interventies kritiek en weerstand oproepen. Het is hun vak om daar handig mee om te gaan. Dat vak brengt evenwel ook mee dat politiemensen gevaarlijke situaties en emotionele toestanden het hoofd moeten bieden. Het gezag dat zij daarbij moeten kunnen laten gelden, maar ook de mens achter de diender, verdienen bescherming. Een politiefunctionaris zal souplesse en een stevig incasseringsvermogen moeten laten zien, maar uiteindelijk hoeft ook hij geen aantasting van zijn persoonlijkheid te accepteren. 11. In de rechtspraak hangt alles uiteraard altijd af van de bijzondere omstandigheden van het geval, maar naar mijn overtuiging wordt een gevaarlijke grens overschreden indien in het algemeen als uitgangspunt wordt genomen dat politiemensen "fuck you" of vergelijkbare uitingen van onfatsoen maar moeten accepteren. Dit wordt niet anders door de omstandigheid dat zij, behangen met een flinke hoeveelheid ijzerwerk en communicatiemiddelen, doorgaans makkelijk zullen winnen van het individu dat zich in machteloze woede laat gaan. Ook in dit opzicht faalt het middel. 12. Aangezien het middel faalt concludeer ik tot verwerping van het beroep. Naar mijn oordeel leent het zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

18 december 2007 Strafkamer nr. 03169/06 AH/RR Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, van 26 juli 2006, nummer 24/002042-05, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1962, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Zwolle-Lelystad van 31 oktober 2005 - de verdachte ter zake van "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van 180 euro, subsidiair drie dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie 2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. P. Bouman, advocaat te Helmond, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel klaagt onder meer over het oordeel van het Hof dat het uitspreken van de woorden "fuck you" en het opsteken van de middelvinger als belediging in de zin van art 266, eerste lid, Sr kunnen worden aangemerkt. 3.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof bewezenverklaard dat: "hij op 28 januari 2005 te gemeente Zwolle opzettelijk beledigend een politieambtenaar, te weten [de politieambtenaar], hoofdagent van de Regiopolitie IJsselland, gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Fuck you" en zijn middelvinger in de richting van die hoofdagent opgestoken." 3.3. Het Hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd". De bewezenverklaring houdt in dat het hier gaat om beledigingen die iemand mondeling onderscheidenlijk door middel van een gebaar in zijn tegenwoordigheid zijn aangedaan. In een dergelijk geval moet een uitlating of een gebaar als beledigend worden beschouwd wanneer zij de strekking hebben die ander aan te randen in zijn eer en goede naam. 3.4. Het kennelijke oordeel van het Hof dat het uitspreken van de woorden "fuck you" en het opsteken van de middelvinger de strekking hebben de politieman tot wie de uitlating en dat gebaar waren gericht in zijn eer en goede naam aan te tasten, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. 3.5. Voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 3.6. Het middel faalt. 4. Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 18 december 2007.